Voorleestips

Hoe begin je er aan? Een handleiding “succesvol voorlezen” bestaat alvast niet. Het is door het te doen dat je leert hoe het moet. Maar een aantal tips kunnen we je alvast meegeven.

Tien basistips om voorlezen tot een goed eind te brengen.

1. Voorlezen doe je op een rustige plek
Voorlezen kan in principe overal, tenminste als er weinig of geen afleiding mogelijk is. Dus geen lawaaierige stofzuiger op de achtergrond, tv of radio staan af, geen pratende mensen rondom je...


2. Voorbereiding
Improviseren is leuk en het kan zelfs goed zijn om niet al te dicht bij de tekst te blijven. Maar een goede voorkennis van het verhaal en ook van de prenten is noodzakelijk om je van de tekst los te kunnen maken. Kijk dus vooraf hoe het verhaal in elkaar steekt, waar de moeilijkheden kunnen zitten, en verzin mogelijke oplossingen.


3. Boekenkeuze
Probeer boeken te kiezen die aansluiten bij de belangstelling en de leefwereld van je voorleeskind. Laat hem of haar in de mate van het mogelijke ook zelf kiezen. Vraag aan je voorleeskindje wat hem of haar interesseert, en wat hij of zij een echt mooi boek vond. 


4. Verwachtingshorizon
Zomaar aan het verhaal beginnen, is een te abrupte start. Leid altijd kort het prentenboek in. Dit kan makkelijk aan de hand van de cover: laat je voorleeskind zelf vertellen waar het boek volgens hem of haar over zal gaan. Op die manier zal je voorleeskind actief mee nadenken over het verloop van het verhaal.


5. Tempo en articulatie
Pas je tempo en je articulatie aan aan het niveau van je voorleeskind. Hij of zij bepaalt hoe snel en  je leest. Een rustig tempo kan nooit kwaad. Een extra inspanning om duidelijk te articuleren evenmin.


6. Moeilijke woorden
Doel van de Boekenbende is boven alles dat je voorleeskind plezier beleeft aan het voorlezen. De voorleesuurtjes zijn geen lessen “Nederlandse woordjes”. Is een bepaald woord essentieel voor het goede begrip van het verhaal, dan vraag je best eerst of je voorleeskind de betekenis ervan kent. Indien niet, dan leg je het woord uit aan de hand van voorbeelden, een tekening...


7. Interactie
Door tijdens het voorlezen af en toe een vraag te stellen, kan je je kind op (meer) actieve wijze bij het verhaal betrekken. Vragen stellen laat ook toe te zien of je kind het verhaal wel goed begrijpt. Maar overdrijf ook niet met het vragen stellen: de dynamiek van het voorlezen mag er niet onder lijden.


8. Maak je verhaal zo levendig mogelijk
Intonatie en mimiek zijn heel belangrijk bij het voorlezen. In dialogen kan je spelen met je stem en je gelaatsuitdrukking. Idem om bepaalde verhaalelementen te onderstrepen: verrassing, ontknoping, spanning, ontgoocheling, blijdschap... Maar maak er ook geen toneel van. Je bent de verteller, de doorgever van een verhaal en niet het hoofdpersonnage van dat verhaal.


9. Naverwerking
Praat na het voorlezen nog even verder: beantwoordde het verhaal aan de verwachtingshorizon van je voorleeskind? Heeft hij of zij al iets gelijkaardigs meegemaakt? Zou hij of zij hetzelfde gedaan hebben?


10. Hulp nodig?
Voorlezen gaat wel eens met vallen en opstaan.
 Ligt het aan jezelf, aan het gekozen boek, aan je voorleeskind...? Moeilijk om te zeggen.
Niet opgeven is de boodschap. En er eens met medevoorlezers over praten, eens raad vragen aan je docent, aan de juf of meester van je kind, of aan de bibliothecaris. Door ervaringen uit te wisselen over de “kunst” van het voorlezen of door tips uit te wisselen over leuke boeken, zal voorlezen niet alleen steeds beter gaan, maar ook leuker worden.